Verslag
Op donderdag 23 april organiseerde BVA een debatavond over de wedstrijdcultuur binnen de Belgische architectuur. Het panel bracht uiteenlopende stemmen samen uit zowel de praktijk als de beleidswereld. De inleiding door Wilma Kempinga, partner bij stichting Mevrouw Meijer, zette meteen de toon. Haar toelichting over de werking van de stichting, die zich inzet voor de optimalisatie van Nederlandse schoolgebouwen via een aanpak geïnspireerd op het Belgische Open Oproep-systeem, introduceerde thema’s als transparantie en dialoog. Deze twee verworven zich tot rode draad van de avond.
Ambiguïteit
Het eerste blok van het debat vertrok vanuit de vraag of architecten weleens ambiguïteit ervaren in de opdracht. Het aanwezige publiek, desondanks de overheersende instemming, klonk tegenstrijdig. Naast het merendeel van de aanwezigen dat ja zei, klonken er toch stemmen die zeiden dat ze de opdrachten als te scherp ervaren, zonder ruimte voor creatieve interpretaties. Deze schijnbare tegenstelling legt echter een fundamenteler probleem bloot: er bestaat geen eenduidige verwachting over wat een architectuurwedstrijd precies moet zijn, oftewel: het verscheidene scala aan vormen van architectuurwedstrijden zijn nog niet genoeg afgebakend. Moet de nadruk liggen op een scherp afgelijnde vraag vanuit de opdrachtgever, gebaseerd op grondig vooronderzoek? Of ligt er net een rol voor de architect om via ontwerpend onderzoek die vraag verder te definiëren? Dit zijn vragen die op voorhand duidelijk gecommuniceerd dienen te worden om een overzicht over deze wildgroei te behouden.
De aanpak van Mevrouw Meijer suggereert een mogelijks interessant derde spoor. Door meerdere ontwerpers parallel te laten werken in een open en transparant proces, ontstaat een vorm van collectief ontwerpend onderzoek. Het feit dat ontwerpers inzicht krijgen in elkaars werk, verschuift het competitie-element gedeeltelijk naar een leermodel. Dit staat in schril contrast met de eerder gesloten wedstrijdcultuur in België. Transparantie is dus niet alleen een ethische keuze, maar kan ook een inhoudelijke meerwaarde bieden.
Dialoog
In het tweede deel van het debat kwamen samenwerking, dialoog en tijd aan bod. Hoewel het belang van dialoog breed werd erkend, werd ook duidelijk hoe moeilijk deze in de praktijk te realiseren is. De concurrentiedialoog, zowat de enige formele ruimte voor interactie binnen het huidige systeem, werd tegelijk naar voren geschoven én bekritiseerd omwille van haar complexiteit en tijdsintensiteit. Hier lijkt zich een bredere maatschappelijke logica op te dringen waarin tijd en efficiëntie primeren op kwaliteit. Het vaak gehanteerde principe “time is money” vertaalt zich in procedures die weinig ruimte laten voor duurzame conversaties. Dit staat haaks op het idee dat een wedstrijd in essentie een samenwerking is, waarin niet alleen een ontwerp, maar ook een ontwerper wordt gekozen.
Vergoeding en risico
Het derde deel, rond vergoeding en risico, maakte de kloof tussen opdrachtgevers en ontwerpers misschien nog het meest tastbaar. Als ontwerper voelt het problematisch dat aanzienlijke inspanningen in de ontwerpfase vaak onvoldoende of niet worden vergoed. Dit zet druk op bureaus om veel te investeren met een onzekere uitkomst. Dit is geen duurzame basis voor de ontwerpende partij. Tegelijk werd vanuit opdrachtgevers aangegeven dat ook zij met beperkte middelen werken en vaak geen besef hebben van de omvang van het werk geleverd door de bureaus. Dit wederzijds onbegrip wijst op een structureel probleem, waarin niet alleen de actoren, maar ook het bredere beleidskader een rol speelt. Opvallend was ook dat de rol van de Vlaams en Brussels Bouwmeester hierin nog niet werd bevraagd.
De avond maakte duidelijk dat dialoog vaak wordt aangehaald als oplossing, maar zelden wordt doorvertaald naar concrete actie. Oprechte dialoog impliceert niet alleen luisteren, maar ook het in vraag stellen van bestaande praktijken. In dat opzicht ligt er enerzijds een verantwoordelijkheid bij architecten zelf. Het blijft problematisch dat wedstrijden worden aanvaard onder voorwaarden die men tegelijk bekritiseert. Zolang die houding niet verandert, blijft het systeem zichzelf in stand houden. Anderzijds is het ook aan de opdrachtgevers om het gesprek meer aan te gaan en in de naam van duurzaamheid bedachtzaam met het “time is money” principe.
Hoop voor de toekomst
Tegelijk stemde de samenstelling van het publiek hoopvol. De aanwezigheid van zowel opdrachtgevers als ontwerpers, en de bereidheid om naar elkaar te luisteren, tonen dat er wel degelijk ruimte is voor verandering. Als die dialoog verder wordt verdiept en gekoppeld aan duidelijke keuzes en verantwoordelijkheden - zoals misschien een verantwoordelijkheid bij Vlaams en Brussels Bouwmeester om actief bij de politiek subsidies vrij te maken voor een wedstrijdvergoeding in evenwicht met het geleverde werk - lijkt een meer toekomstgerichte en kwalitatieve wedstrijdcultuur zeker haalbaar.
Deze activiteit krijgt wellicht nog een 'wordt vervolgd...' we houden je op de hoogte!
(Verslag: Wannes Derycke)